Het maalproces

Het malen van graan wordt met behulp van molenstenen uitgevoerd. De stenen, 2 per koppel, staan opgesteld op de steenzolder.

Om het steenkoppel is een en ander  aangebracht om het malen van de korrels tot meel goed te laten verlopen. Zodoende kan bij verschillende omwentelingssnelheden van de wieken – variabele windkracht -  door middel van  simpele, middeleeuwse automatisering toch meel van een constante kwaliteit worden geleverd.

De molenstenen van Molen de Valk staan afgebeeld op de onderstaande panoramafoto van de steenzolder. In deze beschrijving vind je afbeeldingen van de onderdelen van het steenkoppel aan de oostzijde van de molen : de ‘Ó ‘steen.

 MP 01

                        ‘O ‘ steen                     ‘Z ‘ steen                  ‘W ‘steen


MP 03De stenen, de loper en de ligger, zijn omgeven door de steenkuip, hier een houten ronde bak, met een deksel afgedekt.

Daar bovenop staat de kaar; onder de kaar hangt de schuddebak. De loper wordt aangedreven door de molen via het spoorwiel dat het rondsel op de steenspil aandrijft. De steenspil staat met een klauw op het rijn dat in het kropgat van de loper is gefixeerd.

               MP 02

                       

 

 

 

 

 

het rijn

 

 

 

 

 

 

de ‘O ‘steen: kuip,kaar, steenspil, rondsel

 

MP 04

het kropgat met het rijn

Naast de kuip en de kaar staat nog de zakkenbank, waarop de volle zak met graankorrels  wordt neergezet om deze vervolgens in de kaar leeg te storten.

 MP 05

de keer, gevuld met tarwe

De uitloop van de kaar komt uit in de schuddebak die onder de kaar hangt. Deze transporteert het graan naar het midden van de loper, waar het door de schuddende beweging tijdens het draaien in het kropgat terecht komt.

 MP 06

                                                           de gevulde schuddebak

De schuddebak heeft aan één kant een uitsteksel dat tot naast de steenspil rijkt. Daar ter plaatse is de as vierkant. Deze zgn klopper of speleman wordt door middel van te stellen touwtjes tegen de as getrokken. En omdat de schuddebak aan de achterzijde het draaipunt heeft zal tijdens één rondgang van de as de schuddebak 4 keer heen en weer gaan en graankorrels in het kropgat strooien. De hoeveelheid graankorrels die tijdens het malen tussen de stenen komt is dus afhankelijk van de snelheid waarmee de wieken draaien. Bij veel wind kan de molen veel malen, en dan zorgt de schuddebak voor veel aanvoer. Bij weinig wind  minder aanvoer: middeleeuwse automatisering. De kracht waarmee de schuddebak tegen de as wordt getrokken is instelbaar gemaakt, en kan met de positie van de schuddebak met behulp van deze touwtjes door de molenaar, die een vloer lager staat,  worden geregeld.

 

MP 07 

het kropgat, de klopper en de vierkante as

 

MP 08 

de steltouwtjes

De loper rust niet met zijn volledige gewicht (~800 kg) op de ligger.  De loper staat met zijn rijn als een soort zware tol op een as, de bolspil. Deze as staat onder  de vloer van de steenzolder  op een lager dat is aangebracht op een balk, de pasbalk. Dat lager zit in een houten blok, het kussen.

 MP 09

de pasbalk met kussen en bolspil

Afhankelijk van de windkracht zal de loper snel of langzaam draaien. Dat heeft effect op de fijnheid van het maalsel en dat is ongewenst. De oorzaak zit hem in de hoeveelheid graankorrels die door de schuddebak in het kropgat wordt gestort. Als het weinig korrels zijn moet de loper maar nauwelijks boven de ligger draaien. Maar als er veel korreltjes komen, zal die grote hoeveelheid korrels de loper oplichten waardoor er grof meel ontstaat. Door nu de loper zwaarder op de korrels te laten drukken zal er toch fijn meel worden gemaakt. Dat zgn bijhouden gebeurt door de pasbalk een beetje (tienden van mm) te laten zakken. Dat kan de molenaar doen door naast de meelbak het gewicht aan het lichttouw naar boven te bewegen (bijhouden). Maar als het dan weer minder snel gaat moet hij de loper weer een beetje optillen, uitlichten. Om zo’n zware steen op te kunnen tillen zijn een aantal hefbomen achter elkaar gezet: pasbalk, kruisvonder, lichtbalk en lichttouw. Bij elkaar vormen ze een hefboom van ongeveer 1 op 100. Hierdoor wordt het ook mogelijk om heel nauwkeurig, tienden van mm’s, de loper boven de ligger te laten draaien.

 MP 10

kruisvonder en paard, hangend onder de steenzolder

          MP 12

 

 

 

 

 

  

 MP 11

                                   lichtboom, vlak boven de steenzolder                                   lichttouw

        hangend naast

          de maalbak

 

 

MP 13

                                               schema van het  lichtwerk

Het meel wordt door de gebogen  kerven in het maaloppervlak van de molenstenen naar de buitenzijde van het koppel  getransporteerd. Daar wordt het door de strijker, die aan de loper zit  geschroefd, over de meelring naar het gat voor de meelpijp geveegd. En zo komt het meel door de meelpijp in de maalbak, waar de molenaar bepaalt of het de juiste fijnheid heeft en zo niet, dan zal hij dat met behulp van het lichtwerk corrigeren.

 MP 15

de strijker tussen de steen en de steenkuip

 

 MP 16

bij meelpijp met maalbak

 MP 17

                                                           panorama maalzolder